094.
Bijbelstudie over de
GIERIGHEID - PLEONEKTĒS
pleonekths
Yeshua zegt:: “Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de
wijnbouwer. Iedere rank aan Mij die geen vrucht draagt snijdt Hij weg, en
iedere rank die wel vrucht draagt snoeit Hij bij, opdat hij meer vruchten
draagt.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 15:1-8). Tussen de goede ranken zitten ook
slechte, want sommige uitlopers zijn namelijk onvruchtbaar. Zulke ranken worden
uiteraard afgesneden en zoals er twee soorten ranken zijn, zo bestaan er ook
twee soorten gelovigen. Op zoek naar goede ranken neemt de hemelse Wijnbouwer
elke rank apart. En alle krenten, die de groei van de goede druiven,
belemmeren, knijpt Hij weg. Krenten lijkt me in dit opzicht een treffend woord,
want er zijn ook gelovigen die letterlijk krenten genoemd kunnen worden omdat
ze erg krenterig omgaan met Tzedaqa [liefdadigheid] en hun verantwoordelijkheid zowel ten
opzichte van de Eeuwige alsook ten opzichte van de medegelovigen niet willen
kennen. Er zijn mensen, die bij een gemeente horen, maar bij wie men toch geen
echte relatie met Yeshua en met elkaar kan opmerken, en als er al sprake van een
relatie is, dan is dat doorgaans eenrichtingsverkeer. Deze krenten worden
zonder pardon door de wijnbouwer weggesneden. Kunnen zij er wat aan doen om het
wegsnijden te voorkomen? Jazeker! Natuurlijk kunnen ze er wat aan doen,
namelijk G’ds geboden naleven en de liefde van Yeshua uitdragen! Dat is immers de opdracht die Hij ons allen
gegeven heeft! Het is heel eenvoudig om ervoor te zorgen, dat je niet
weggesneden wordt, maar je moet er wel wat aan doen en het natuurlijk zelf ook
willen. Het is een keuze die wij allen moeten maken in ons persoonlijk leven.
Daarom is het van groot belang om voortdurend, maar heel in het bijzonder in de
periode tussen Rosh haShana en Yom Kipur, tot inkeer en berouw te komen en er serieus werk van te
maken om ons leven te beteren. Evenals de luiheid, die wij in de vorige
Bijbelstudie hebben behandeld, vormt ook de bovengenoemde krenterigheid ofwel
gierigheid één van de zeven hoofdzonden, die de basis vormen voor vele andere
zonden. De zeven hoofdzonden zijn: 1. hoogmoed, ijdelheid en trots; 2. hebzucht
en gierigheid; 3. wellust en onkuisheid; 4. nijd, jaloezie en afgunst; 5.
onmatigheid en gulzigheid; 6. opvliegendheid, woede en wraakzucht; 7. luiheid
en gemakzucht. Maar de gierigheid is de ergste van allemaal wat vooral in de
Statenvertaling heel duidelijk naar voren komt: “Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke
sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof…” (1 Timotheüs 6:10).
Gierigheid en
hebzucht
De gierigheid is het ongeordende streven om zo veel
mogelijk stoffelijk bezit te verwerven, te vermeerderen en uiteraard vast te
houden. Hoe rijker je bent, hoe moeilijker het is om daarvan met een ander te
delen. Daarom zijn hebzucht en gierigheid ook synoniem aan elkaar. Onmatigheid
en gulzigheid eigenlijk ook. Wie krenterig is, is ook hebberig. Een vrek is
tegelijkertijd ook een hebberd. Hij is heel inhalig en gulzig als hij ergens op
bezoek is, maar hij is te gierig om iemand anders een bordje eten te geven en
vaak is hij zelf ook nog gierig voor zichzelf omdat hij elke cent krampachtig
blijft vasthouden. Yeshua ben Sira [Jezus Sirach] besteedt hieraan maar liefst acht verzen om
dit schandelijk gedrag aan de kaak te stellen: “Een vrek geniet niet van zijn rijkdom, waartoe dient het bezit van een
gierigaard? Wie alles oppot en zichzelf tekortdoet spaart voor anderen, zij
zullen van zijn bezit genieten. Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij
goed zijn? Hij verheugt zich niet eens over zijn eigen bezit. Geen slechter
mens dan wie gierig voor zichzelf is, dat alleen al is de straf voor zijn
slechtheid. Als hij goeddoet is dat ondanks zichzelf, maar zijn slechtheid komt
toch aan het licht. Slecht is een mens met hebzuchtige ogen, die van anderen
wegkijkt en hen niet ziet staan. De ogen van een vrek zijn niet tevreden met
hun deel, zijn onrechtvaardigheid en slechtheid vreten aan hem. Een hebzuchtig
mens begeert voedsel, maar zijn eigen tafel is karig gedekt!” (aryc tmkvx Chochmat
Sira [Wijsheid van Sirach] 14:3-10, NBV).
Vooral dat laatste is helaas maar al te waar. Bij uitgekookte mensen die wel
graag bij jou uitgebreid komen eten mag je blij zijn als je een koekje bij de
koffie krijgt, als je tenminste het geluk hebt om door zo iemand überhaupt een
keertje uitgenodigd te worden, wat doorgaans niet het geval is. Helaas gebeurt
dit ook onder gelovigen. Eigenlijk zou ik moeten schrijven: juist onder
gelovigen, want tot onze schande moeten we helaas constateren dat ongelovigen
vaak nog hartelijker, gastvrijer en vrijgeviger zijn dan gelovigen. Maar G’d
haat de gierigheid en hebzucht, en Sha’ul [Paulus] noemt het in Kolossenzen 3:5 zelfs ronduit afgoderij:
“Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn,
namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en
de gierigheid, welke is afgodendienst!” (SV). Een gierigaard is volgens Sha’ul dus niets anders dan
een afgodendienaar. Ik citeer Efeziërs 5:3 en 5 daarom eveneens uit de Statenvertaling:
“Maar laat ook onder u hoererij en alle
onreinheid, of gierigheid niet genaamd worden, gelijk het de heiligen betaamt…
Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een
afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van G’d!“ Volgens
de Statenvertaling is een gierigaard dus een afgodendienaar. De NBG-vertaling
zegt: “Want hiervan moet gij doordrongen
zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een
afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en G’d!” en in de
Wilibrordvertaling staat: “Besef het
goed: een ontuchtige of onreine of hebzuchtige, wat hetzelfde is als een
afgodendienaar, heeft geen erfdeel in het koninkrijk van Christus en van G’d!” Drie
vertalingen voor hetzelfde Griekse woord pleonekths pleonektēs:
gierigaard, geldgierige en hebzuchtige, maar in alle drie vertalingen wordt van
hem gezegd dat hij een afgodendienaar is, want door deze zelfzuchtige,
egoïstische houding maakt hij zichzelf namelijk tot een afgod. Daarom schrijft Sha’ul in 1 Korinthiërs
5:11 nadrukkelijk dat wij met zulke mensen die zichzelf weliswaar tot onze
broeders en zusters rekenen, niet mogen omgaan en zelfs niet met hen mogen
eten: “Maar nu heb ik u geschreven, dat
gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde,
een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar,
of een dronkaard, of een rover, dat gij met zo iemand ook niet zult eten!” (SV).
Liefdeloosheid
Gierigheid is tevens liefdeloosheid, want zij maakt een
mens namelijk hard tegenover zijn medemens en ongevoelig voor andermans welzijn.
Een vrek is dus liefdeloos. Tegen zulke egoisten zegt Yeshua: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het
eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger
geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt
Mij niet te drinken gegeven!” (Mattheüs 25:41-43). Dat is een keiharde
uitspraak die duidelijk aangeeft hoe Yeshua over gierige mensen denkt en zoals we hierboven gelezen
hebben noemt Sha’ul [Paulus] de gierigheid in 1 Timotheüs 6:10 zelfs de wortel
van alle kwaad. Dat geeft wel te denken! Volgens de dikke Van Dale is ‘gierig’
hetzelfde als begerig, gretig, hebzuchtig, vraatzuchtig, inhalig, knijperig,
krenterig, schraperig, vrekkig en zuinig, waarvan het laatste nog het meest
onschuldig lijkt. Daarom zal een vrek ook nooit zeggen dat hij gierig is, maar
zuinig. Dan lijkt het minder erg. En toch staat er in de Van Dale als 4e
definitie van ‘gierig’ heel duidelijk: “zuinig betekent: gierig zijn op geld”.
Zuinig zijn is dus niet hetzelfde als spaarzaam zijn, maar heeft toch meer met
gierigheid te maken. Gierigheid is daarentegen wel hetzelfde als hebzucht, want
het een kan niet zonder het ander. Deze beide woorden zijn onlosmakelijk met
elkaar verbonden en zijn zelfs uitwisselbaar, hetgeen dus ook in de diverse
Bijbelvertalingen het geval is zoals we hierboven hebben gezien. Gierigheid en
hebzucht sluiten overigens ook naadloos aan bij de luiheid en gemakzucht, waar
mijn vorige Bijbelstudie over ging. Dat komt vooral duidelijk naar voren als
het gaat om gastvrijheid. Wie te lui is om voor een ander te koken en zijn huis
niet vuil wil maken die is doorgaans ook te gierig om een ander een bordje eten
aan te bieden. Maar hij of zij is er wel als de kippen bij om bij een ander op
bezoek te gaan en daar aan te schuiven. Mensen die zelf niet gastvrij zijn
maken wel graag gebruik van andermans gastvrijheid. Zulke mensen zijn dus niet
alleen lui en gierig, maar ook nog wel uitgekookt en hebberig! Dat Yeshua deze houding afkeurt
moge duidelijk zijn. En toch komen wij deze mensen helaas ook als zogenaamde
medegelovigen in onze eigen kringen tegen. In elke kerk en in elke gemeente heb
je ze. Overal hoort men dezelfde klachten. Dat wordt vooral duidelijk zichtbaar
als er een liefdesmaal gehouden wordt. Het zijn vaak dezelfde mensen die
vleesgerechten, groente, rijst, aardappels of pasta meebrengen en het zijn ook
bijna altijd dezelfde mensen die zich er heel makkelijk van afdoen om slechts
fruit mee te brengen of een pakje koekjes of een cakeje uit de supermarkt. Dat
is lekker makkelijk en vooral ook lekker goedkoop. En toch zijn juist deze
uitgekookte mensen vaak de eersten die gaan opscheppen als het buffet geopend
is. Zij staan er blijkbaar niet bij stil dat het liefdesmaal gehouden wordt voor
de Eeuwige. Wat men meebrengt om met elkaar te delen doet men voor de Eeuwige.
Wie te gierig of te gemakzuchtig is om in de keuken te staan voor het bereiden
van een warme maaltijd ten behoeve van het liefdesmaal doet niet alleen zijn of
haar broeders en zusters daarmee tekort, maar ook de Eeuwige! Zo horen wij als
gelovigen dus niet met elkaar om te gaan. Het principe ‘voor de één de lasten
en voor de ander de lusten’ hoort niet thuis in de gemeenschap van gelovigen. Galaten
6:2 leert ons juist om elkanders lasten te dragen en op deze wijze de wet van Yeshua in praktijk te
brengen. Het vervelende is echter dat een luiaard en een gierigaard zich vaak
van geen kwaad bewust is en het zelf niet eens door heeft dat zijn of haar
gedrag aanstootgevend is. Velen vinden deze egoïstische houding heel normaal en
zien daar geen zonde in. Als men het in de kerk over de zonden van gelovigen
heeft, dan worden daar meestal zonden mee bedoeld die te maken hebben met de
tien geboden, en dan met name seksuele zonden. In sommige gemeenten is het
gebruikelijk dat iemand naar voren komt om zijn of haar zonden publiekelijk te
belijden. Dat kan van alles en nog wat zijn, maar het komt bijna nooit voor dat
iemand beleden heeft dat hij een vrek is of een hebberd. Alle mogelijke zonden
worden opgebiecht... behalve de zonde van gierigheid en hebzucht. En dat
terwijl dat nu juist een van de meest verbreide en meest hardnekkige zonden is.
Kennelijk heeft de gierigheid en het parasiteren op hun medegelovigen zich zo
in hun levens genesteld dat zij die niet eens meer als zonden herkennen of dat
zij deze neigingen vakkundig weten te camoufleren. Het is echter heel opvallend
dat Yeshua van
alle zonden juist de zonden met betrekking tot het omgaan met geld het meest
aan de orde stelt. Is u dat ook al opgevallen? Kijk maar naar de gelijkenis van
‘de rijke jongeling’ in Mattheüs 19:16-26, Marcus 10:17-27 en Lucas 18:18-27
met daarin de bekende uitspraak: “Wat is
het voor mensen met geld toch moeilijk om het koninkrijk van G’d binnen te
komen. Een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke
in het koninkrijk van G’d!” (Willibrord-vertaling). Kijk ook naar de
aandacht die Yeshua vestigde op de arme weduwe in Marcus 12:42-44 en Lucas
21:1-4, die zonder aarzeling alles in de offerkist heeft gegooid waarvan zij
had moeten leven: “Hij ging tegenover de
offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden
veel geld in de kist. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in
gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze
arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in
hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van
haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.” Yeshua heeft ons allen daarmee een spiegel voorgehouden. In
alle gemeenten en huisgroepen heb je namelijk mensen die blijkbaar genoeg geld
hebben om regelmatig verre reizen te kunnen maken of een dure auto te kopen,
maar die nooit een gift geven omdat ze het wellicht heel normaal vinden dat hun
broeders en zusters voor de onkosten opdraaien. Zij willen wel de zegeningen
ontvangen maar het mag niets kosten!
Het dienen van de
Mammon
In Lucas 12:15 geeft Yeshua ons daarom een ernstige waarschuwing aangaande de gierigheid
en hebzucht, die wij allen ons zeer zeker ter harte moeten nemen: “En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u
van de gierigheid; want het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft
uit zijn goederen!” (SV). “Let er
toch op dat u zich ver houdt van alle hebzucht. Want ook al bezit iemand alles
in overvloed, hij bezit zijn leven niet!” (GNB). “Hij zeide tot hen: Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want
ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit!”
(NBG). Daarom geeft Hij ons ook het dringende advies: “Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar
maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel,
waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of
stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. - Niemand kan twee
heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan
de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet G’d dienen èn de Mammon!” (Mattheüs 6:19-21
en 24, NBG). Dat laatste zinnetje staat in de Willibrord-vertaling als volgt: “Niemand kan twee heren dienen. Want hij
zal de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en
de ander verachten. Je kunt G’d en de geldduivel niet tegelijk dienen!” De Mammon wordt in deze
vertaling geldduivel genoemd en dat geeft dus duidelijk aan met wie wij hier te
maken hebben. Yeshua gebruikt hier echter heel doelbewust de naam Mammon omdat Hij weet dat
niemand de Satan
zal kiezen als Hij ons rechtstreeks voor de keuze tussen G’d en de Satan zou stellen. Ook de Satan zelf is zich hier
uiteraard wel van bewust en daarom gebruikt hij de zwakste plek van talrijke
gelovigen om daarmee alsnog zijn doel te bereiken. Wanneer de keuze namelijk is
tussen G’d en de Mammon, dan weet de Satan dat vele gelovigen het moeilijk zullen vinden om een
beslissende keuze te maken omdat zij in hun beslissingen immers beïnvloed
worden door hun liefde voor de Mammon. Als de houding van een gelovige richting Mammon fout is en de
gierigheid zijn leven beheerst, dan zal hij of zij dat ook zijn in elk ander
gebied. Daarom noemt Sha’ul [Paulus] in Romeinen 1:29 de gierigheid in één ademtocht
samen met een reeks andere verwerpelijke eigenschappen op: “Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid,
gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog,
kwaadaardigheid...” (SV). Gierigheid valt hier dus in dezelfde categorie
als bijvoorbeeld hoererij en moord. Hoeveel gelovigen realiseren zich dat? Een
soortgelijke opsomming waarbij de gierigheid op één noemer geplaatst wordt met
hoererij en moord vinden wij ook in de Talmud. In de beide Parashiot
Taz’ria en Metzora, die meestal samen gelezen worden op één Shabat, wordt uitgebreid
ingegaan op de procedure voor een Metzora, dat is iemand die is aangetast door Tzara’at. Deze plaag, die
doorgaans met ‘melaatsheid’ wordt vertaald, is het gevolg van één van de zeven
zonden, die de Talmud opnoemt: lashon hara [roddel en laster], moord, valse getuigenis, hoererij,
hoogmoed, diefstal en gierigheid (]ykri Arachin 17a). Inderdaad:
Gierigheid! Maar wat is het verband tussen gierigheid en moord of hoererij, dat
hun straf hetzelfde is? Wel, de gemeenschappelijke noemer van deze zeven
overtredingen is, dat zij een uiting zijn van a-sociaal gedrag, dat schadelijk
is voor het welzijn van de hele gemeenschap. De Talmud legt uit dat dit ook de reden is waarom de Metzora, de lijder aan de
ziekte Tzara’at
uit de gemeenschap verbannen wordt. Gierigheid is ook nu nog volstrekt
onaanvaardbaar in de Joodse samenleving. Als er onder de Joden in het toenmalige
Palestina net zo veel vrekken waren geweest als in sommige kerken en
huisgroepen in het hedendaagse Europa, dan was de staat Israël waarschijnlijk nooit
tot stand gekomen! Dat de gierigheid evenals vele andere slechte eigenschappen
en gewoonten echter alleen maar zullen toenemen wordt reeds in de Bijbel
voorspeld: “Weet wel, dat er in de
laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig
zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders
ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars,
onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos,
opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor G’d!” (2 Timotheüs 3:1-2). Satan vindt vele ingangen in de levens van vele gelovigen door de
Mammon. Dus is
hij in staat om hen af te brengen van G’ds plan met hun leven. Zij die de Mammon liefhebben zijn
wereldgezind en onbruikbaar voor Adonai. Satan weet dit heel goed, ook al weten talrijke gelovigen
dat zelf niet. Ons bidden en vasten en het doen van allerlei Mitz’vot [geboden] kunnen
G’ds doel niet vervullen, als we de Mammon liefhebben en wereldgezind zijn. Dit is waarom de Eeuwige
soms toestaat dat we financieel krap zitten, om ons te verlossen van de liefde
voor de Mammon
en ons bruikbaar te maken voor Hem. Dat is het antwoord op de vraag van velen
hoe het toch komt dat het de g’ddelozen en de lauwe gelovigen vaak financieel
voor de wind gaat terwijl het erop lijkt dat de ware gelovigen hoe dichter ze
bij Adonai
staan steeds meer krap komen te zitten en elke cent moeten tellen. Is dat
rechtvaardig? Wil G’d dit? Ja, dat is inderdaad G’ds wil en laat u zich
alstublieft niet wijsmaken door de predikers van de prosperity teaching dat dit
niet zo is! Yeshua is daar heel duidelijk over. Het zal heel moeilijk zijn
voor een volgeling van Yeshua die geheel eerlijk en oprecht van hart is, om er
financieel hogerop te komen door zaken te doen in een wereld die onder de
heerschappij van de Satan is, want om een hoge levensstandaard in stand te houden
met dure vliegreizen, dure auto’s en dure huizen in zo’n wereld moet men op een
of ander gebied wel Satans principes volgen zoals winstbejag, oplichterij,
structureel op Shabat werken of op andere wijze ongehoorzaam zijn aan de
principes van G’ds Woord, de Tora. Om dit gedrag te kunnen rechtvaardigen proberen velen
G’ds Woord daarom te verdraaien en in hun eigen voordeel te interpreteren. Over
zulke mensen schrijft Timotheüs het volgende: “Wie
een afwijkende leer verkondigt en niet instemt met de gezonde woorden van onze
Heer Yeshua
haMashiach en met de leer van onze g’dsdienst,
is verwaand! Hij weet niets, maar heeft een ziekelijke belangstelling voor
strijdvragen en twisten over woorden. Dat leidt tot afgunst, onenigheid,
lasterpraat, verdachtmakingen en eindeloos gekibbel tussen warhoofden die de
waarheid kwijtgeraakt zijn en de g’dsdienst zien als een middel om er rijker
van te worden. Nu is de g’dsdienst inderdaad een grote rijkdom, voor wie
tevreden is met wat hij heeft. Want wij hebben niets meegebracht in deze
wereld, en we kunnen er ook niets uit meenemen. Als we ons kunnen voeden en
kleden, moet ons dat genoeg zijn. Wie rijk wil worden, komt in verleiding en
raakt verstrikt in veel dwaze en schadelijke verlangens, die een mens in
verderf en ondergang storten. Want geldzucht is de wortel van alle kwaad. Door
achter geld aan te jagen zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben
zichzelf allerlei leed berokkend. Maar jij, man van G’d, moet dat alles uit de
weg gaan.” (1 Timotheüs 6:3-11, GNB). Sha’ul [Paulus] schrijft
dus duidelijk in vers 9: “Zij die zich
willen verrijken, komen in verleiding en raken verstrikt in allerlei dwaze en
kwalijke begeerten, die een mens in verderf en ondergang storten.” (WV). Dit
geldt ook voor sommige evangelisten en predikanten die rijk geworden zijn door
de verkondiging van het ‘welvaartsevangelie’, beter bekend als ‘prosperity
teaching’, dat in de tweede helft van de 20ste eeuw bedacht werd door geestelijke
leiders in Amerika en Afrika die de Mammon liefhebben. Zij gebruiken hun
zogenaamde ‘bediening’ om zichzelf te verrijken met de tienden en de giften van
hun goedgelovige volgelingen. Hier in Nederland zijn vooral enkele Afrikaanse
kerken op dit terrein erg actief. Maar ook in ‘gewone’ evangelische en met name
charismatische kringen komen wij dit dienen van de mammon tegen, want waarom
wordt daar anders zo nadrukkelijk gehamerd op het geven van de tienden terwijl
dat in het Nieuwe Testament nergens genoemd wordt? Ook in deze gemeenten worden
sommige voorgangers en evangelisten letterlijk rijk van tienden en giften. Kijk
maar in welke huizen veel van deze geestelijke leiders wonen en in welke auto’s
ze rijden, dan weet je al genoeg. Graag wil ik u in dit verband van harte
aanbevelen om ook eens mijn studie nr. 078 over de tienden te lezen. Deze
leiders hebben het weliswaar steeds over een opwekking, maar welke? Van een
echte opwekking kan er namelijk pas sprake zijn als die de gelovigen bevrijdt
van de liefde voor de Mammon.
De geldgierigheid
van de Farizeeën
Om deze reden wordt de duidelijke oproep van Yeshua uit Mattheüs 6:24 nog
een keer in Lucas 16:13 herhaald: “Gij kunt niet G’d dienen èn de Mammon!”, maar eigenlijk
gaat het hele hoofdstuk 16 van het Lucas-evangelie met uitzondering van de
verzen 16 t/m 18 over de gierigheid en hebzucht en dus over het dienen van de Mammon. Graag wil ik u
aanbevelen om dit hoofdstuk eens rustig te lezen, maar in het kader van deze
studie wil ik enkele kernteksten extra onder uw aandacht brengen. In de verzen
1 t/m 9 vertelt Yeshua de gelijkenis van ‘de onrechtvaardige rentmeester’ en in
vers 13 stelt Hij Zijn toehoorders voor de keuze tussen G’d en de Mammon. De reactie van de
daarbij aanwezige P’rushim [Farizeeën], die als geestelijke leiders het goede
voorbeeld zouden moeten geven, was ronduit beschamend: “En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën, die geldgierig waren, en
zij beschimpten Hem. En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelf
rechtvaardigt voor de mensen; maar G’d kent uw harten; want wat hoog is onder
de mensen, is een gruwel voor G’d!” (vers
14 en 15). Zij volgden hierin het voorbeeld van de zonen van de profeet Sh’mu’el [Samuël], die tot
leiders van Israël benoemd werden: “Doch
zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de
gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht.” (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël]
8:3, SV). Naar aanleiding van de heftige woordenwisseling met de geldgierige
Farizeeën ging Yeshua in Lucas 16:19-31 met Zijn waarschuwing voor de gierigheid
en hebberigheid verder met het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus waarmee Hij de geestelijke
armoede van geldgierige gelovigen in het licht van de eeuwigheid op
ondubbelzinnige wijze aan de kaak stelde omdat zij dan feitelijk de Mammon en dus de Satan aan het dienen zijn,
ook al menen zij G’d te dienen. De Farizeeën voldeden als geestelijke leiders
beslist niet aan de belangrijkste voorwaarde die de Eeuwige hiervoor eist, want
Hij zei tegen Moshe [Mozes]: “Doch zie
gij om, onder al het volk, naar kloeke mannen, G’dvrezende, waarachtige mannen,
de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van duizend, oversten van
honderd, oversten van vijftig, oversten van tien.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 18:21, SV).
Keer op keer waarschuwt de Eeuwige ons in Zijn Woord voor de gierigheid. Ik
citeer opnieuw uit de Statenvertaling: “Ik
was verbolgen over de ongerechtigheid van hun gierigheid, en sloeg hen; Ik
verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg van
hun hart.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 57:17). “Want van hun
kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van
de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid!“ (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 6:13).
“Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen
geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de
grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de
priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid!“ (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia]
8:10). “Maar uw ogen en uw hart zijn niet
dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op
verdrukking en overlast, om die te doen!“ (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 22:17). “Gij,
die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten! uw einde is gekomen,
de maat uwer gierigheid!“ (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 51:13). “Zij
hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt
gij genomen, en gij hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking;
maar gij hebt Mij vergeten, spreekt de Eeuwige Adonai. Ziet
dan, Ik heb Mijn hand geslagen om uw gierigheid, die gij bedreven hebt, en om
uw bloed, die in het midden van u geweest zijn!“ (laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 22:12-13). “Haar
vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te
vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen!“ (laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 22:27).
“En zij komen tot u, gelijk het volk
pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw
woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar
hun hart wandelt hun gierigheid na!“ (laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 33:31). “Want
de g’ddeloze roemt over de wens zijner ziel; hij zegent de gierigaard, hij
lastert de Eeuwige.” (,ylht
Tehilim [Psalmen] 10:3). “Zo
zijn de paden van een ieder, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar
meester vangen.“ (yl>m Mish’lei [Spreuken] 1:9). Al deze teksten laten duidelijk zien hoe
de Eeuwige over gierige en hebzuchtige mensen denkt! Dat het dan uiteindelijk
slecht met hen zal aflopen ligt dus voor de hand en dat Sha’ul in 1 Korinthiërs
5:11 nadrukkelijk schrijft dat wij met zulke mensen die zichzelf weliswaar tot
onze broeders en zusters rekenen, niet mogen omgaan en zelfs niet met hen mogen
eten is ook niet meer dan logisch, want reeds in yl>m Mish’lei [Spreuken] 23:6-8 krijgen wij hetzelfde advies: “Laat je niet door een gierigaard aan tafel
nodigen, laat je niet verleiden door wat hij je voorzet. Uit berekening zegt
hij: ‘Eet toch! En drink nog wat.’ Maar hij meent er niets van. Elk vriendelijk
woord is aan hem verspild, de eetlust zou je vergaan.” (GNB). “Ga niet aan tafel bij een gierigaard, laat
je niet verleiden door zijn lekkernijen. Hij is door en door berekenend. Zegt
hij: ‘Tast toe,’ dan meent hij er niets van. Wat hij je voorzet, braak je uit,
je vriendelijke woorden zijn aan hem verspild.” (NBV). Geloof en gierigheid
gaan dus echt niet samen. Als je Yeshua in je hart hebt en deel wilt uitmaken van een
geloofsgemeenschap, dan moet je je huis ook openstellen voor je broeders en
zusters om ze af en toe uit te nodigen, en niet alleen voor een kopje koffie
met een koekje, maar voor een maaltijd, bijvoorbeeld op Erev Shabat. Vervolgens
moet je niet allerlei excuses verzinnen om maar geen gerechten te hoeven
meebrengen voor het liefdesmaal en je moet ook niet krenterig zijn als het gaat
om het geven van giften om de onkosten te dekken, maar daarbij steeds de
woorden van Sha’ul [Paulus] in je achterhoofd houden: “Bedenk dit: wie
karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten.
Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang,
want G’d heeft lief wie blijmoedig geeft.” (2 Korinthiërs 9:6, NBV). Dit is
geheel in overeenstemming met de woorden van Yeshua, die zelf gezegd heeft: “Het is zaliger te geven dan te
ontvangen!” (Handelingen 20:35). Over dit laatste lezen wij in yl>m Mish’lei [Spreuken]
15:27 het volgende: “Die gierigheid
pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.” (SV) en
enkele hoofdstukken verderop staat: “Een
vorst, die aan alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen;
maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen!” (yl>m Mish’lei [Spreuken]
28:16, SV). De grote koning David heeft dit blijkbaar heel goed begrepen, want hij schreef: “Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en
niet tot gierigheid.” (,ylht
Tehilim [Psalmen] 119:36, SV). Wij zijn met niets gekomen en we
kunnen ook niets meenemen als wij deze aarde moeten verlaten. Het heeft dus
geen nut om aardse goederen te verzamelen. G’d heeft de blijmoedige gever lief.
Uiteindelijk is alles wat we hebben van haShem, dus ook al ons geld en al ons bezit. Als wij van onze
overvloed delen met onze naaste, dan geven wij niets weg, maar terug: wij geven
terug aan de Eeuwige, want Yeshua heeft gezegd: “Alles
wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij
gedaan!” (Mattheüs 25:40, WV). Van dat geven word je zelf niet armer.
Integendeel, je wordt er zelf ook weer rijker van: “Wie vrijgevig is, wordt steeds rijker, wie gierig is, komt nog tekort.
Wie goed doet, goed ontmoet, wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen!”
(yl>m Mish’lei
[Spreuken] 11:24-25, GNB). Laten wij ons dit alles ter harte nemen, alle
gierigheid en hebberigheid afleggen om blijmoedig te delen met onze broeders en
zusters zodat Yeshua bij het scheiden van de bokken en de schapen ook van ons
kan zeggen: “Komt, gij gezegenden Mijns
Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld
af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst
geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven...” (Mattheüs 25:34-35, NBG). Amen!
Werner Stauder